A1, A2, B1, B2, C1, C2. Zes letters die op elke cursus en elk certificaat staan, en die zelden worden uitgelegd in termen van wat je er nou echt mee kunt.

Het Europees Referentiekader beschrijft niet hoeveel je weet, maar wat je kunt doen. Dat onderscheid is belangrijk: je kunt honderd werkwoordsvormen kennen en toch geen gesprek voeren, en je kunt met beperkte grammatica prima functioneren.

A1 — beginner

Je begrijpt en gebruikt alledaagse uitdrukkingen en heel eenvoudige zinnen. Je stelt jezelf voor, vraagt waar iemand woont, en begrijpt het antwoord als de ander langzaam praat en wil helpen.

Concreet: je bestelt in een café, je koopt een treinkaartje, je vertelt hoe je heet en waar je vandaan komt.

Grammatica: tegenwoordige tijd van regelmatige werkwoorden, essere en avere, lidwoorden, enkelvoud en meervoud.

Zelftest: kun je zonder Engels een cappuccino bestellen en vragen waar het station is? Dan zit je op A1.

A2 — elementair

Je begrijpt zinnen over directe zaken: jezelf, je familie, boodschappen, werk. Je wisselt informatie uit over vertrouwde onderwerpen.

Concreet: je legt uit wat je werk is, je vertelt wat je vorig weekend hebt gedaan, je regelt een hotelkamer, je begrijpt de kern van een simpel gesprek.

Grammatica: voltooide tijd, imperfetto, onregelmatige werkwoorden, voorzetsels, bezittelijke voornaamwoorden.

Zelftest: kun je in de verleden tijd vertellen wat je gisteren gedaan hebt, zonder erover na te denken welke vorm je nodig hebt? Dan zit je op A2.

B1 — onafhankelijk gebruiker

Dit is de grote drempel, en het niveau dat vereist is voor het Italiaanse staatsburgerschap.

Je begrijpt de hoofdlijn van duidelijke standaardtaal over vertrouwde zaken. Je redt je in de meeste situaties die zich voordoen als je in Italië bent. Je vertelt over ervaringen, plannen en wensen, en geeft kort een reden of toelichting.

Concreet: je volgt een gesprek aan tafel als er niet te snel gepraat wordt, je leest een eenvoudig krantenartikel, je schrijft een e-mail, je legt aan de dokter uit wat er scheelt.

Grammatica: toekomende tijd, conditionalis, eerste kennismaking met de congiuntivo, betrekkelijke voornaamwoorden, ci en ne.

Die congiuntivo is het struikelblok van dit niveau — hier leg ik uit wat hij eigenlijk doet.

Zelftest: kun je een meningsverschil hebben in het Italiaans — niet alleen zeggen wat je vindt, maar ook uitleggen waarom? Dan zit je op B1.

B2 — vlot gevorderd

Je begrijpt de hoofdgedachte van een complexe tekst, ook over abstracte onderwerpen. Je praat vloeiend genoeg dat een gesprek met een moedertaalspreker geen inspanning kost voor de ander.

Concreet: je kijkt een Italiaanse film zonder ondertiteling en mist alleen details, je leest een roman, je functioneert in een Italiaanstalige werkomgeving.

Grammatica: congiuntivo in alle tijden, lijdende vorm, indirecte rede, passato remoto passief herkennen.

Zelftest: kun je een telefoongesprek voeren met een Italiaanse instantie, zonder gezichtsuitdrukkingen om op terug te vallen? Dan zit je op B2.

C1 — gevorderd

Je begrijpt lange en veeleisende teksten en herkent impliciete betekenis. Je drukt je vloeiend en spontaan uit zonder merkbaar te zoeken.

Concreet: je vangt ironie op, je past je register aan tussen een vriend en een notaris, je leest literatuur zonder woordenboek.

Zelftest: merk je wanneer een Italiaan iets sarcastisch bedoelt? Dat is het echte C1-signaal — ironie is het laatste wat binnenkomt.

C2 — bijna moedertaal

Je begrijpt vrijwel alles wat je leest of hoort, en drukt je genuanceerd uit, ook in complexe situaties.

Voor de meeste mensen is dit geen zinnig doel. B2 is voldoende voor werk en studie, C1 voor academisch werk. C2 is voor vertalers, docenten en mensen die het leuk vinden.

De twee manieren waarop mensen zich verkeerd inschatten

Overschatting: vlot praten is niet hetzelfde als hoog niveau

Wie de taal via gesprekken heeft opgepikt — een Italiaanse partner, veel vakanties — praat vaak veel vlotter dan zijn eigenlijke niveau. Dat komt doordat je binnen een beperkte verzameling onderwerpen en constructies beweegt die je goed beheerst, en daarbuiten niet komt.

De test is simpel: schrijf een half A4 over een onderwerp dat je nog nooit besproken hebt. Wat er dan gebeurt is meestal ontnuchterend, en het is de reden dat mensen met dit profiel zakken voor examens.

Onderschatting: passief begrip telt ook

De omgekeerde fout maken mensen die schools hebben geleerd en zelden spreken. Zij zeggen "ik kan eigenlijk niets" terwijl ze een krantenartikel moeiteloos lezen.

Je niveau is niet je zwakste vaardigheid. Bij de meeste mensen liggen lezen en luisteren een half tot een heel niveau boven spreken en schrijven, en dat is normaal.

De snelste manier om jezelf te testen

Pak een tekst op het niveau dat je denkt te hebben en lees een pagina.

  • Begrijp je alles moeiteloos? Te makkelijk, ga een niveau omhoog.
  • Begrijp je de hoofdlijn en mis je een handvol woorden zonder het woordenboek te pakken? Dat is jouw niveau.
  • Moet je elke twee zinnen iets opzoeken? Te moeilijk.

Precies daarom heb ik de leesboeken per niveau gemaakt: het zijn dezelfde Italiaanse klassiekers, aangepast per niveau. De A1-versie en de B2-versie van hetzelfde verhaal naast elkaar leggen is de eerlijkste niveautest die er is.

Wil je iets korters? De interactieve oefeningen zijn per niveau ingedeeld.

Wat je met je niveau doet

Weten waar je staat is nuttig om twee redenen: je kiest materiaal dat past, en je stelt een realistisch doel. Hoeveel tijd de stap naar het volgende niveau kost, staat in Hoeveel tijd kost het om Italiaans te leren?.

Wil je zekerheid in plaats van een zelfinschatting? In een gratis kennismakingsgesprek bepaal ik je niveau in een kwartier — voor alle vier de vaardigheden apart, want die lopen bij vrijwel iedereen uiteen.

Boek een gratis proefles →