Download on the App StoreVerder in de appIn de app
De helft van A1 en 3 oefeningen per dag: gratisApp Store★★★★★(6)van Alessio, docent sinds 2018Ga verder in de app →

Grammatica · A1

De eenvoudige voorzetsels

door Alessio · docent Italiaans voor anderstaligen, master ITALS

Een Frecciarossa aan het perron, van voren gezien, naast een streektrein · Italiaanse grammatica A1
Naar Rome, met de trein, uit Milaan: elke reis is een voorzetsel.

Het zijn acht kleine, onvermoeibare woorden: di, a, da, in, con, su, per, tra. De echte valkuilen zijn er drie: a of in bij plaatsen, da bij personen, di voor herkomst. De rest is oefening.

  • 4min lezen
  • 19min oefeningen
  • A1niveau

Wat je leert

  • di, a, da, in, con, su
  • Wanneer gebruik je de eenvoudige voorzetsels
  • De eerste volledige ronde
  • Woordenschat: il viaggio

Italiaans en het Nederlands naast elkaar

Hier helpt vertalen niet. Nederlands zegt in Rome en naar Rome; Italiaans zegt a Roma voor allebei, maar in Italia voor het land. Andare a scuola, andare in banca, essere da Marco: het voorzetsel hoort bij de uitdrukking. Leer ze vast aan hun zelfstandig naamwoord, zoals je ook wachten op als geheel hebt geleerd.

De helft van A1 en 3 oefeningen per dag: gratisApp Store★★★★★(6)van Alessio, docent sinds 2018Ga verder in de app →

De woorden van deze pagina

Sleep elk Italiaans woord naar zijn definitie, of tik eerst op het woord en dan op het vakje.

De eerste volledige ronde

Voorz.HoofdgebruikReisvoorbeeld
dipossesso, origineil biglietto di Marco, sono di Milano
acittà, destinazione, orarivado a Torino, arrivo alle otto
daprovenienza; da una personaparto da Roma, vado da Luca
inpaesi e regioni; mezziin Italia, in Toscana, in treno
concompagnia, mezzoviaggio con mia sorella, con la valigia
susopra; argomentoil bagaglio è sul treno, un libro su Venezia
perscopo, direzione, duratail treno per Firenze, per due giorni
tra / fratempo futuro; posizioneparto tra un’ora, tra Roma e Napoli
Het duo dat iedereen in de war brengt: a + stad (a Bologna) maar in + land of regio (in Francia, in Umbria). En bij personen: vado da Anna, niet a Anna.

De meest gemaakte fouten

  • vado in Romavado a Roma (steden nemen a)
  • abito a Italiaabito in Italia (landen nemen in)
  • vado a Marco staseravado da Marco stasera (personen nemen da)
  • parto con il treno delle 9 per 2 orede reis duurt twee uur: per markeert doel of geplande duur

Wist je dat?

De voorzetsels zijn het laatste wat een gevorderde spreker foutloos krijgt, en dat komt doordat ze uit het Latijn zijn gehaald en daarna hun eigen gang zijn gegaan. Da alleen al betekent «van», «bij», «sinds», «om te» en «als»: vengo da Roma, vado dal medico, da tre anni, qualcosa da mangiare, da bambino. Er is geen regel die dat sluit; er zijn combinaties die je vaak genoeg hoort.

Lees en begrijp

De grammatica van dit hoofdstuk. Voorbeeld: de groepschat van de cursus Italiaans.

CCorso A1 · gruppo
3 partecipanti
S
SofiaDomani andiamo a Siena in treno?20:11
Io vengo da Firenze, arrivo alle nove.20:12
S
SofiaPerfetto. Poi andiamo dal professore, abita in centro.20:12
J
JonasPrendiamo qualcosa da mangiare?20:14
S
SofiaSì! C'è un forno vicino alla stazione.20:15
Allora a domani. Io vado a piedi, tu?20:16
J
JonasIn bici, come sempre.20:17

Vragen

A che ora arriva chi viene da Firenze?

Perché «a Siena» ma «in centro»?

Completa: «Vado ___ Roma ___ macchina».

De hal van een station, met reizigers en het loket
A Siena, in treno, alla stazione: drie voorzetsels, één reis.

Oefeningen

Vijf oefeningen op volgorde van moeilijkheid. De laatste halen er eerdere onderwerpen bij.

  1. 01 A o in?

    Steden krijgen a, landen en regio’s krijgen in. Vul aan.

    1. Abito Milano.
    2. Abito Italia.
    3. Vado Berlino.
    4. Vado Germania.
    5. Lavoro Toscana.
    6. Studio Bologna.

  2. 02 Di chi è, di dove è

    Vul di of da in.

    1. Questo è il libro Marco.
    2. Sono Napoli.
    3. Vengo Napoli adesso.
    4. Lavoro lunedì a venerdì.
    5. Un bicchiere acqua, per favore.
    6. Vado mia sorella stasera.

  3. 03 Con, per, su, tra

    Vul het juiste voorzetsel in.

    1. Esco i miei amici.
    2. Questo regalo è te.
    3. Il libro è tavolo.
    4. Ci vediamo dieci minuti.
    5. Parto Roma domani.
    6. Vado piedi.

  4. 04 Il verbo chiede la sua preposizione

    Elk werkwoord heeft het zijne. Vul aan.

    1. Vado scuola.
    2. Comincio lavorare alle nove.
    3. Finisco lavorare alle sei.
    4. Parlo mia madre.
    5. Parliamo lavoro.
    6. Penso te.
    7. Ho bisogno aiuto.

  5. 05 Dove sei, dove vai

    Vul het bericht aan met voorzetsels, werkwoorden en c’è / ci sono.

    Herhaling presente indicativo · essere e avere · c’è e ci sono

    1. Ciao! (io / essere) Firenze tre giorni.
    2. Sto un amico: la sua casa vicino centro.
    3. Qui molti turisti, ma bello lo stesso.
    4. Domani (io / partire) Siena treno.
    5. Torno Milano domenica: (io / avere) lezione lunedì.
    6. E tu, (venire) me il weekend prossimo?

Deze vijf zijn een voorproefje. Op de site staan er meer dan zevenhonderd, gratis en zonder account. Alle oefeningen →

Neem deze pagina mee

Het overzicht van dit hoofdstuk als afdrukbare PDF (tabellen in het Italiaans): regels, typische fouten en de oefening met oplossingen. Een tip van een docent: grammatica blijft hangen door vaak te herhalen, niet door eén keer te stampen.

Download het overzicht (PDF)
App TiApp TiApp Ti

Elk onderwerp, een wereld

In de app Ti oefen je grammatica binnen thematische leerpaden met vakspecifieke woordenschat: il bar, i trasporti, il calcio, la moda, la burocrazia en zeventien andere. Kies je wereld en de grammatica komt vanzelf mee, ook in het Nederlands uitgelegd.

Halve leerlijn gratis, zonder account

€5,83 per maandmet het jaarabonnement

★★★★★(6)van Alessio, docent sinds 2018

Download Ti voor iPhone ↗︎

Zoek op amo Italiaans

Piazza del Campo in Siena, met de toren en mensen op de bestrating
Da Firenze a Siena: elke etappe verandert het voorzetsel.

Lees en begrijp

De grammatica van dit hoofdstuk. Voorbeeld: een ansichtkaart uit Siena.

Caro Jonas,

sono partito da Firenze alle otto e sono arrivato a Siena in un'ora.

Abito in centro, da una signora che affitta stanze. Vado a scuola a piedi.

Domenica andiamo in treno a Pisa, poi da Marta a Lucca.

Ci vediamo a luglio!
Sanne

POSTE
ITALIANE
Siena
C.P.
Jonas de Vries
Kerkstraat 9
3581 RA Utrecht

Vragen

Come va a scuola Sanne?

«Abito da una signora» significa…

Completa: «Torno ___ casa ___ mezzanotte».

Nog een tekst over dit onderwerp? Een etiket lezen

Nog één keer

Kies het voorzetsel:

  1. Domani vado Napoli treno.
  2. Questo è il biglietto Anna.
  3. Il treno Firenze parte dieci minuti.
  4. Stasera andiamo Luca a cena.

Veelgestelde vragen

Hoe gebruik je De eenvoudige voorzetsels in het Italiaans?
Naar Rome, met de trein, uit Milaan: elke reis is een voorzetsel. Het zijn acht kleine, onvermoeibare woorden: di, a, da, in, con, su, per, tra . De echte valkuilen zijn er drie: a of in bij plaatsen, da bij personen, di voor herkomst. De rest is oefening.
Wat zijn de meest gemaakte fouten?
De fouten die ik in de les het vaakst hoor:
  • abito a Italiaabito in Italia (landen nemen in)
  • vado a Marco staseravado da Marco stasera (personen nemen da)
  • parto con il treno delle 9 per 2 orede reis duurt twee uur: per markeert doel of geplande duur
Zijn er oefeningen en een PDF over De eenvoudige voorzetsels?
Op deze pagina staan 5 interactieve oefeningen die zichzelf nakijken, met de antwoorden, plus een printbaar PDF-blad. Alles gratis, zonder account.
Wanneer gebruik je a en wanneer in bij plaatsen?
A voor steden (a Roma, a Amsterdam), in voor landen en regio's (in Italia, in Toscana). Voor gebouwen wisselt het en moet je het paar leren: a casa, a scuola, maar in ufficio, in banca.
Wat is het verschil tussen di en da?
Di geeft bezit en herkomst als eigenschap: il libro di Marco, sono di Amsterdam, ik kom daarvandaan. Da geeft beweging vanaf en duur: vengo da Amsterdam, ik reis van daar hierheen.
Hoe zeg je naar iemand toe gaan?
Met da: vado da Marco, vado dal dentista. Bij personen is het altijd da, nooit a, en dat is een van de vaakst gemaakte fouten.
Welk voorzetsel gebruik je bij vervoermiddelen?
In voor de meeste (in treno, in macchina, in aereo) en a voor wat je schrijlings of te voet doet: a piedi, a cavallo, in bici of in bicicletta.
Hoe leer ik de voorzetsels het snelst?
Niet los, maar in combinatie met het werkwoord waar ze bij horen: pensare a, parlare di, cominciare a, finire di. Zoals in het Nederlands «denken aan» en «praten over» ook één geheel zijn.