Grammatica · A2
De passato prossimo
door Alessio · docent Italiaans voor anderstaligen, master ITALS

De passato prossimo vertelt de feiten: wat je deed, waar je heen ging, wat er gebeurde. Hij bestaat uit twee delen: een hulpwerkwoord in de presente (avere of essere) en het voltooid deelwoord.
- 4min lezen
- 18min oefeningen
- A2niveau
Wat je leert
- participio regolare, con avere, con essere
- Wanneer gebruik je de passato prossimo
- De onregelmatige deelwoorden die je meteen moet kennen
- Woordenschat: il viaggio in treno
Italiaans en het Nederlands naast elkaar
Het Nederlands gebruikt de voltooid tegenwoordige tijd ongeveer zoals het Italiaans de passato prossimo: ik heb gegeten = ho mangiato. Het verschil is dat het Italiaans deze tijd ook gebruikt waar wij de onvoltooid verleden tijd nemen: gisteren at ik wordt ieri ho mangiato.
De passato prossimo vertelt een afgerond feit: het ligt achter nu, maar blijft met het heden verbonden.



De woorden van deze pagina
Sleep elk Italiaans woord naar zijn definitie, of tik eerst op het woord en dan op het vakje.
De constructie
| Onderdeel | Hoe je het vormt | Voorbeelden |
|---|---|---|
| participio regolare | -are: -ato · -ere: -uto · -ire: -ito | viaggiato, venduto, partito |
| con avere | ho, hai, ha… + participio | ho comprato il biglietto, hai perso il treno |
| con essere | sono, sei, è… + participio accordato | sono partita, siamo arrivati in ritardo |
De onregelmatige deelwoorden die je meteen moet kennen
| Werkwoord | Voltooid deelwoord | Onderweg |
|---|---|---|
| fare | fatto | ho fatto il biglietto online |
| prendere | preso | abbiamo preso il regionale |
| perdere | perso | ho perso la coincidenza |
| scendere | sceso | siamo scesi alla fermata sbagliata |
| venire | venuto | è venuta a prendermi in stazione |
| dire / leggere / scrivere | detto / letto / scritto | ho letto gli orari, ho scritto ad Anna |
De meest gemaakte fouten
ho andato a Roma→ sono andato a Roma (andare neemt essere)Anna è comprato i biglietti→ Anna ha comprato i biglietti (comprare neemt avere)abbiamo prenduto il treno→ abbiamo preso il treno (onregelmatig deelwoord)le ragazze sono partito→ le ragazze sono partite (met essere past het zich aan)
Wist je dat?
Ook de passato prossimo is een Romaanse uitvinding. Het Latijn had één verleden tijd, amavi, maar het gesproken Latijn begon te zeggen amatum habeo, «ik heb het bemind ding». Aanvankelijk betekende dat echt bezit: habeo litteras scriptas, ik heb geschreven brieven. Toen de klemtoon verschoof van bezit naar handeling ontstond het hulpwerkwoord, en met het Nederlandse «ik heb geschreven» is precies hetzelfde gebeurd.
Lees en begrijp
De grammatica van dit hoofdstuk. Voorbeeld: een post-it thuis.
Ciao amore, io esco.
Ho pagato la bolletta della luce.
Sono passata in farmacia: le gocce sono sul tavolo.
Ho prenotato il ristorante per sabato, alle otto.
Non ho trovato il regalo per papà. Idee?
Marco ha chiamato: la partita è finita 2 a 1, ha vinto la sua squadra.
Torno alle sette ♥
Vragen
Dove sono le gocce della farmacia?
Per quando è prenotato il ristorante?
Perché «ho pagato» ma «sono passata»?
Completa: «Ieri Anna ___ a casa presto» (tornare).

Oefeningen
Vijf oefeningen op volgorde van moeilijkheid. De laatste halen er eerdere onderwerpen bij.
01 Il participio regolare
Schrijf het voltooid deelwoord.
- parlare →
- credere →
- dormire →
- mangiare →
- vendere →
- capire →
02 Con avere
Vul de passato prossimo in.
- Ieri (io / mangiare) una pizza.
- (tu / studiare) molto?
- Marco (dormire) dieci ore.
- (noi / vedere) un bel film.
- (voi / finire) i compiti?
- Loro (comprare) una casa.
03 I participi irregolari
Dit zijn de meest voorkomende: leer ze uit het hoofd. Schrijf het deelwoord.
- fare →
- dire →
- prendere →
- scrivere →
- leggere →
- aprire →
- venire →
- essere →
04 Con essere: il participio si accorda
Vul aan en laat het deelwoord overeenkomen met het onderwerp.
- Maria (andare) al mare.
- I ragazzi (partire) ieri.
- (noi, due amiche) (uscire) insieme.
- Luca (tornare) tardi.
- (tu, Anna) (rimanere) a casa?
- Le mie sorelle (nascere) a Roma.
05 Il weekend di Sara
Vul het verhaal aan in de passato prossimo en kies essere of avere.
Herhaling A1: presente, essere e avere, accordo dell’aggettivo
- Sabato Sara (svegliarsi) presto e (fare) colazione al bar.
- Poi (andare) in centro e (incontrare) due amiche.
- (loro / entrare) in un negozio e (comprare) due maglioni.
- A mezzogiorno (mangiare) insieme: (prendere) una pizza.
- La sera Sara (tornare) a casa e (leggere) un po’.
- (essere) una bella giornata.
Deze vijf zijn een voorproefje. Op de site staan er meer dan zevenhonderd, gratis en zonder account. Alle oefeningen →
Neem deze pagina mee
Het overzicht van dit hoofdstuk als afdrukbare PDF (tabellen in het Italiaans): regels, typische fouten en de oefening met oplossingen. Een tip van een docent: grammatica blijft hangen door vaak te herhalen, niet door eén keer te stampen.



Elk onderwerp, een wereld
In de app Ti oefen je grammatica binnen thematische leerpaden met vakspecifieke woordenschat: il bar, i trasporti, il calcio, la moda, la burocrazia en zeventien andere. Kies je wereld en de grammatica komt vanzelf mee, ook in het Nederlands uitgelegd.
Halve leerlijn gratis, zonder account
★★★★★(7)van Alessio, docent sinds 2018
Download Ti voor iPhone ↗︎Zoek op amo Italiaans

Lees en begrijp
De grammatica van dit hoofdstuk. Voorbeeld: een e-mail uit de Cinque Terre.
Il weekend alle Cinque Terre
daMartina Riva <martina.riva@mail.it>
ailse.devries@mail.nl
datalun 15 set, 22:05
Cara Ilse,
che weekend! Sabato all'alba siamo partite io e Lucia per le Cinque Terre. Abbiamo camminato quattro ore, da Monterosso a Vernazza.
A pranzo ho mangiato il pesto migliore della mia vita. Le foto? Le ho fatte tutte col telefono di Lucia: il mio è rimasto a casa, ovviamente.
Domenica il mare era troppo freddo: ci siamo sedute al porto e abbiamo guardato le barche per un'ora, senza parlare.
Sei mai stata in Liguria? Ti piacerebbe tanto.
Un abbraccio,
Martina
Vragen
Con chi è partita Martina?
Perché ha usato il telefono di Lucia per le foto?
«Siamo partitE», con la e finale: che cosa ci dice?
Completa: «Le chiavi? ___ sul tavolo» (io, lasciare).
Nog een tekst over dit onderwerp? Een voicemailbericht · Een cv in het Italiaans
Nog één keer
Bouw de passato prossimo:
- Ieri (io) il treno delle 7.
- Anna in ritardo.
- Noi la coincidenza a Bologna.
- A che ora dal treno?
- I ragazzi i biglietti online.
Veelgestelde vragen
Hoe gebruik je De passato prossimo in het Italiaans?
Wat zijn de meest gemaakte fouten?
Anna è comprato i biglietti→ Anna ha comprato i biglietti (comprare neemt avere)abbiamo prenduto il treno→ abbiamo preso il treno (onregelmatig deelwoord)le ragazze sono partito→ le ragazze sono partite (met essere past het zich aan)