Download on the App StoreVerder in de appIn de app
Het volledige traject, van A1 tot C2App Store★★★★★(6)van Alessio, docent sinds 2018Ga verder in de app →

Grammatica · B1

Passato prossimo of imperfetto?

door Alessio · docent Italiaans voor anderstaligen, master ITALS

Een dorpskerk met klokkentoren en klok, tegen de berghelling · Italiaanse grammatica B1
Het dorp was arm, grootvader vertrok: twee tijden, eén verhaal.

De vraag die elke cursist kwelt heeft een eenvoudig antwoord: de passato prossimo is een punt (een feit, met begin en einde), de imperfetto is een achtergrond (een scène, een gewoonte, een toestand). De twee leven in dezelfde zin: mentre la nonna cucinava, è arrivato lo zio.

  • 5min lezen
  • 21min oefeningen
  • B1niveau

Wat je leert

  • Passato prossimo of imperfetto?
  • De werkwoorden die van betekenis veranderen
  • De meest gemaakte fouten
  • Woordenschat: i ricordi di famiglia

Italiaans en het Nederlands naast elkaar

Het Nederlands kiest tussen onvoltooid en voltooid verleden tijd op gevoel; het Italiaans heeft een duidelijker regel. Ho mangiato vertelt het feit, mangiavo schildert de achtergrond. Kun je was aan het of vroeger altijd zeggen, dan is het imperfetto.

De tijdlijn
imperfettopassato prossimopresenteNU

De passato prossimo vertelt een afgerond feit; de imperfetto schildert de achtergrond eromheen.

Het volledige traject, van A1 tot C2App Store★★★★★(6)van Alessio, docent sinds 2018Ga verder in de app →

De woorden van deze pagina

Sleep elk Italiaans woord naar zijn definitie, of tik eerst op het woord en dan op het vakje.

Het criterium

VraagTijdVoorbeeld
Cosa è successo?passato prossimomio nonno è emigrato nel 1956
Com’erano le cose?imperfettoil paese era povero, il lavoro mancava
Cosa si faceva di solito?imperfettoscriveva a casa ogni domenica
Cosa è successo mentre…?insiemementre lavorava in miniera, ha conosciuto la nonna
Signaalwoorden helpen maar beslissen niet: ieri, una volta, all’improvviso duwen richting passato prossimo; sempre, di solito, mentre, da bambino richting imperfetto. De betekenis beslist altijd, niet het woord.

De werkwoorden die van betekenis veranderen

WerkwoordImperfettoPassato prossimo
saperesapevo (conoscevo il fatto)ho saputo (l’ho scoperto)
conoscereconoscevo (era un conoscente)ho conosciuto (l’ho incontrato la prima volta)
doveredovevo (era previsto)ho dovuto (l’ho fatto davvero)
poterepotevo (ne avevo la possibilità)ho potuto (ci sono riuscito)

De meest gemaakte fouten

  • mentre cucinavo, il telefono suonavamentre cucinavo, il telefono è squillato (de onderbrekende gebeurtenis is een punt)
  • da bambino sono andato ogni estate al paeseda bambino andavo ogni estate al paese (gewoonte)
  • ieri era una bella giornata e siamo andati al marecorrect zoals het is: era beschrijft, siamo andati vertelt

Wist je dat?

Het onderscheid tussen de twee is niet tijd maar aspect: niet wanneer iets gebeurde, maar hoe je ernaar kijkt. Dezelfde gebeurtenis kan allebei zijn. Ieri pioveva schildert de dag, ieri ha piovuto meldt het feit. Het Nederlands maakt die keuze grotendeels op gevoel; het Italiaans, zoals alle Romaanse talen, heeft er twee aparte tijden voor, en dat is voor Nederlanders het lastigste hoofdstuk van B1.

Lees en begrijp

De grammatica van dit hoofdstuk. Voorbeeld: een e-mail van de camping.

Com'è andata la prima notte in tenda

daGiorgio Neri <giorgio.neri@mail.it>

afamiglia.neri@mail.it

datadom 3 ago, 08:50

Ciao a tutti,

vi racconto. Erano le undici, il campeggio dormiva e noi leggevamo con la torcia. Fuori tirava un vento strano.

A mezzanotte abbiamo sentito un rumore vicino alla tenda. Paolo ha aperto la cerniera piano piano… e ha trovato un riccio che mangiava i nostri biscotti.

Abbiamo riso per dieci minuti. Poi, mentre tornavo a dormire, è iniziato il temporale vero. Ma questa ve la racconto a pranzo.

Giorgio

Vragen

Che cosa mangiava il riccio?

A che ora hanno sentito il rumore?

«Il campeggio dormiva e noi leggevamo»: perché l'imperfetto?

Completa: «___ la doccia quando ___ il telefono» (io fare, suonare).

Oefeningen

Vijf oefeningen op volgorde van moeilijkheid. De laatste halen er eerdere onderwerpen bij.

  1. 01 Sfondo o fatto

    Schrijf S als het werkwoord de achtergrond schildert (imperfetto) of F als het een gebeurtenis vertelt (passato prossimo).

    1. Erano le otto di sera. →
    2. Improvvisamente è suonato il campanello. →
    3. Pioveva da giorni. →
    4. Ho aperto la porta. →
    5. Non conoscevo quella persona. →
    6. Le ho chiesto chi fosse. →

  2. 02 Mentre e quando

    Vul aan: mentre vraagt om de imperfetto, quando vaak om de passato prossimo.

    1. Mentre (io / cucinare) , (arrivare) Luca.
    2. Quando (noi / uscire) , (piovere) ancora.
    3. Mentre (loro / dormire) , qualcuno (bussare) .
    4. Quando (tu / chiamare) , (io / essere) in riunione.
    5. Mentre (lei / studiare) , (ascoltare) musica.
    6. Quando (finire) il film, (noi / andare) a casa.

  3. 03 Una volta o tutte le volte

    Een gewoonte krijgt de imperfetto, een eenmalige gebeurtenis de passato prossimo. Vul aan.

    1. Da studente (io / andare) a lezione in bici ogni giorno.
    2. Un giorno (cadere) e (rompersi) un braccio.
    3. D’estate (noi / passare) i pomeriggi al fiume.
    4. Quell’estate però (noi / restare) in città.
    5. Mia nonna (raccontare) sempre la stessa storia.
    6. L’ultima volta la (raccontare) anche ai miei figli.

  4. 04 I verbi che cambiano senso

    Sapere, conoscere, volere, dovere veranderen van betekenis met de tijd. Kies en leg het uit in één woord.

    1. Ieri (io / sapere) la notizia da Marco.
    2. Non (io / sapere) che fossi qui.
    3. (noi / conoscere) Anna a una festa nel 2019.
    4. (io) La già da bambino.
    5. (lui / volere) partire e alla fine è partito.
    6. (lui / volere) partire, ma non l’ha fatto.

  5. 05 Il trasloco

    Vul het verhaal aan en kies tussen passato prossimo en imperfetto.

    Herhaling A2: passato prossimo, imperfetto, scelta dell’ausiliare

    1. Quando (noi / trasferirsi) a Bologna, (essere) febbraio e (fare) molto freddo.
    2. L’appartamento (essere) piccolo, ma (avere) un balcone che (dare) sui tetti.
    3. Il primo giorno (noi / non trovare) le chiavi: le (lasciare) nella scatola dei libri.
    4. Mentre (io / cercare) , il vicino (affacciarsi) e ci (offrire) un caffè.
    5. (noi / restare) a parlare un’ora: (lui / conoscere) tutti nel palazzo.
    6. Da quel giorno (noi / sentirsi) meno stranieri.

Deze vijf zijn een voorproefje. Op de site staan er meer dan zevenhonderd, gratis en zonder account. Alle oefeningen →

Neem deze pagina mee

Het overzicht van dit hoofdstuk als afdrukbare PDF (tabellen in het Italiaans): regels, typische fouten en de oefening met oplossingen. Een tip van een docent: grammatica blijft hangen door vaak te herhalen, niet door eén keer te stampen.

Download het overzicht (PDF)
App TiApp TiApp Ti

Elk onderwerp, een wereld

In de app Ti oefen je grammatica binnen thematische leerpaden met vakspecifieke woordenschat: il bar, i trasporti, il calcio, la moda, la burocrazia en zeventien andere. Kies je wereld en de grammatica komt vanzelf mee, ook in het Nederlands uitgelegd.

Halve leerlijn gratis, zonder account

€5,83 per maandmet het jaarabonnement

★★★★★(6)van Alessio, docent sinds 2018

Download Ti voor iPhone ↗︎

Zoek op amo Italiaans

Lees en begrijp

De grammatica van dit hoofdstuk. Voorbeeld: het verhaal van de stationskat.

Il Corriere del Quartiere

mercoledì 8 luglio · pagina 4

Cronaca

Il gatto che viveva in stazione ha trovato casa

di Paola Renzi

Tutti lo conoscevano: dormiva sulla panchina del binario 2 e aspettava il treno delle 7.40, quello dei pendolari, che gli portavano sempre qualcosa.

Martedì però il gatto non c'era. Si è scoperto presto il perché: una famiglia lo ha adottato e lo ha portato in collina.

«Sembrava triste, ultimamente», racconta il capostazione. «Quando l'ho visto salire in macchina, ho capito che finiva un'epoca».

I pendolari hanno lasciato una ciotola sulla panchina. Non si sa mai.

Vragen

Dove dormiva il gatto?

Che cosa hanno lasciato i pendolari?

«Dormiva sulla panchina» ma «lo ha adottato»: perché tempi diversi?

Completa: «Mentre ___, qualcuno ___ alla porta» (piovere, bussare).

Nog een tekst over dit onderwerp? De geschiedenis van de wijk

Nog één keer

Gebeurtenis of achtergrond? Kies:

  1. Mio bisnonno per l’America nel 1913.
  2. A quel tempo il paese molto povero.
  3. Ogni mese i soldi alla famiglia.
  4. Un giorno una lettera che ha cambiato tutto.
  5. Mentre , a piangere.

Veelgestelde vragen

Hoe gebruik je Passato prossimo of imperfetto? in het Italiaans?
Het dorp was arm, grootvader vertrok: twee tijden, eén verhaal. De vraag die elke cursist kwelt heeft een eenvoudig antwoord: de passato prossimo is een punt (een feit, met begin en einde), de imperfetto is een achtergrond (een scène, een gewoonte, een toestand). De twee leven in dezelfde zin: mentre la nonna cucinava, è arrivato lo zio .
Wat zijn de meest gemaakte fouten?
De fouten die ik in de les het vaakst hoor:
  • da bambino sono andato ogni estate al paeseda bambino andavo ogni estate al paese (gewoonte)
  • ieri era una bella giornata e siamo andati al marecorrect zoals het is: era beschrijft, siamo andati vertelt
Zijn er oefeningen en een PDF over Passato prossimo of imperfetto??
Op deze pagina staan 5 interactieve oefeningen die zichzelf nakijken, met de antwoorden, plus een printbaar PDF-blad. Alles gratis, zonder account.
Wat is de vuistregel?
Kun je in het Nederlands «was aan het» of «vroeger altijd» zeggen, dan is het imperfetto. Kun je «en toen» zeggen, dan is het passato prossimo. De imperfetto is het decor, de passato prossimo wat er in dat decor gebeurt.
Hoe combineer je ze in één zin?
De imperfetto zet de achtergrond, de passato prossimo de gebeurtenis: dormivo quando ha suonato il telefono. Precies zoals in het Engelse I was sleeping when the phone rang.
Waarom hoor ik soms twee keer imperfetto?
Bij gelijktijdige achtergronden: mentre lui cucinava, io leggevo. Twee lijnen die naast elkaar lopen, geen van beide onderbreekt de ander.
Wat gebeurt er met sapere, conoscere, volere en dovere?
Die veranderen van betekenis. Sapevo is «ik wist», ho saputo is «ik kwam te weten». Conoscevo is «ik kende», ho conosciuto is «ik leerde kennen». Volevo is «ik wilde», ho voluto is «ik besloot».
Hoe zit het met een duur die is afgelopen?
Als de tijdsduur begrensd is, wint de passato prossimo: ho vissuto a Roma per tre anni. Zonder grens de imperfetto: vivevo a Roma, in die tijd.